Onderwerp en persoonsvorm

Opeens hoorde ik iets tegen mijn raam tikken.
Persoonsvorm:
Onderwerp:

Daarna vervolgden de reizigers hun weg.
Persoonsvorm:
Onderwerp:

Uit het raam vloog een papiertje naar buiten.
Persoonsvorm:
Onderwerp:

Ongelukken gebeuren meestal onverwacht.
Persoonsvorm:
Onderwerp:

Is voetbal het belangrijkste voor deze jongen?
Persoonsvorm:
Onderwerp:

Tijdens het concert galmden de klanken over de weide.
Persoonsvorm:
Onderwerp:

Gelukkig is alles nu anders.
Persoonsvorm:
Onderwerp:

Vroegere vrienden vermeden nu zijn gezelschap.
Persoonsvorm:
Onderwerp:

Dat vonden onze vrienden buitengewoon goed.
Persoonsvorm:
Onderwerp:

Wat fladderen die vleermuizen druk!
Persoonsvorm:
Onderwerp: