Werkwoorden herhaling 1



oplossen [tt]De docent alle puzzels voor de kinderen op.
vergrotenAls je snel scoort je de kans om te winnen.
groeien [vt]Het jongen hondje als kool.
boeken we de reis morgen via een reisbureau?
horenJeroen niemand meer toen hij weg ging.
invoeren [vt]De regering nieuwe regels in.
betalenDe inkoper heeft alles in één keer .
batenDit nieuwe medicijn heeft eigenlijk niemand .
werken [vt]De bakker van vier tot zeven uur.
vertellenJoost heeft het nog aan niemand .