Werkwoorden herhaling 3


.
overtuigen [vt]De eigenaar de kinderen om naar huis te gaan.
levenIn het Zwarte Woud vroeger wilde beren.
kaartenDe groep heeft tot diep in de nacht .
herstellenDe kleermaker heeft de gaten in de broek .
garanderenDe winkelier heeft verder niets .
verzorgen [vt]De verpleegster de oude man met veel liefde.
huizenIn dat pand vroeger een snoepfabriek.
stappen [vt]De kwade buurman naar de rechter.
bevattenDe geschrokken bewoners konden het nog steeds niet
vormen [vt]Dit groepje een gevreesd team.