Werkwoorden herhaling 4


rollenAlle knikkers zijn in het putje .
zoemen [vt]De mug in mijn oor.
vullenJan alle flessen met appelsap.
dienen [vt]Dit zakje als lunchpakket.
plaatsenHet kledingmerk heeft een advertiente in de krant.
betalenHet bedrag heeft Jan terug gekregen.
vluchtenDe bange dieren uit het brandende bos.
meldenMijn vader de inbraak direct bij de politie.
tonenZijn opa trots zijn kippen aan Jaap.
reddenNiemand keek om naar het hondje.