| oplossen [tt] | De docent alle puzzels voor de kinderen op. |
| vergroten | Als je snel scoort je de kans om te winnen. |
| groeien [vt] | Het jongen hondje als kool. |
| boeken | we de reis morgen via een reisbureau? |
| horen | Jeroen niemand meer toen hij weg ging. |
| invoeren [vt] | De regering nieuwe regels in. |
| betalen | De inkoper heeft alles in één keer . |
| baten | Dit nieuwe medicijn heeft eigenlijk niemand . |
| werken [vt] | De bakker van vier tot zeven uur. |
| vertellen | Joost heeft het nog aan niemand . |